Taalliefde

Taalliefde

Ik hou van mijn taal. Ik hou ook van andere talen, maar vooral van mijn eigen taal, het Nederlands. Ik probeer, uiteraard ook omdat het mijn vak is, zo mooi mogelijk en zo netjes mogelijk te schrijven. Dat wil niet zeggen dat ik nooit foutjes maak, maar ook dat probeer ik tot een minimum te beperken.

Waar wil ik heen met dit verhaal? Nou, ik heb soms de neiging om mensen te verbeteren, of te corrigeren. “Oh, …” hoor ik de lezer nu denken, “jij bent een taalnazi!” Nee, dát ben ik niet. Ik heb de néiging wel, maar ik geef er nauwelijks aan toe. Een taalnazi is, van wat ik ervan begrijp, iemand die er genoegen in schept om fouten in het geschreven werk van een ander te benoemen. Naming and shaming. Als je op Google het woord ‘taalnazi’ intypt, kom je terecht in een schimmige wereld van mensen die elkaar de loef willen afsteken met hun kennis van de Nederlandse taal, en die graag hun talenkennis willen etaleren over de ruggen van anderen. In die zin ben ik dus géén taalnazi.

Ik ben van mening dat foutjes best mogen. Niet in officiële publicaties natuurlijk, nee, dat bedoel ik niet. Maar als jij in een ver verleden vier jaar lts hebt gedaan, kan ik niet van jou verwachten dat jij op Facebook of Twitter schrijft op het niveau van iemand die er een studie Linguïstiek op heeft zitten. Het boeit me dan ook totaal niet als jij dan af en toe een stam+t fout maakt, of andere gangbare fouten. Evenmin interesseert het me dan als jij zegt “ik stond in de winkel langs hem”, bijvoorbeeld. Op papier kan ik best veel tolereren. De vader van een vriendin zei ooit, toen ik nog jong en zeer gedreven op zoek ging naar de fout in anderen: “Taal is een communicatiemiddel, zolang we elkaar begrijpen, is het toch goed?” En daar moest ik hem toen wel gelijk in geven.

Dus laat ik foutjes met grote regelmaat gaan. Soms kost dat moeite, want sommige taaltrends zijn voor mij net als nagels over een schoolbord. Ik noem dan vooral het woordje ‘me’ als bezittelijk voornaamwoord. Leren ze op school tegenwoordig niet meer dat het ‘mijn moeder’, ‘mijn hond’, ‘mijn vriend’ is? “Me moeder is me mattie, weet je.” Zucht. Of het gebruik van het woordje ‘is’ in plaats van ‘eens’. “Ik heb is zin om te gaan shoppen.” Nogmaals zucht.

Wanneer verbeter ik dan wel? Nou, als jij zelf een taalnazi bent. Als ik je regelmatig anderen zie corrigeren, dan word ik waakzaam. Ik ben lid van verschillende forums en daar is er altijd minimaal ééntje die er genoegen in schept andere (minder hoog opgeleide) mensen te corrigeren.  Een ander geval waarin ik extra oplettend ben, is wanneer je jezelf een ‘taalprofessional’ noemt (en daar stikt het van tegenwoordig….echt overal zie ik mensen zichzelf aanprijzen als ‘taalprofessional’ of ‘taalkunstenaar‘). Of ‘woordgoeroe’ (wat in godsnaam is dat überhaupt?) In deze bovenstaande gevallen ben ik vaak wél geneigd te verbeteren. Maar geloof me, van elke honderd fouten die ik tegenkom, verbeter ik er hooguit één of twee.

Dus, voor de oplettende lezer die in dit blogje foutjes ontdekt: ga je het zeggen? Of laat je het gaan? De Engelsen zeggen: “Pick your battles wisely…”

PS: her en der in dit verhaal heb ik wat taaladviezen verstopt. Zoek de verborgen linkjes. Veel leesplezier!